Bruinrugekstertje - Spermestes bicolor (en ondersoorten)
Bruinrugekstertje – Spermestes bicolor
Bruinrugekstertje – Spermestes bicolor
Bruinrugekstertje – Spermestes bicolor (en ondersoorten)
Soorten:
Bij de bruinrugekstertje worden vijf ondersoorten beschreven, te weten:
- Spermestes bicolor nigirceps
- Spermestes bicolor stigmatophora
- Spermestes bicolor woltersi
- Spermestes bicolor rufodorsalis
- Spermestes bicolor minor
Het verschil tussen de ondersoorten zit vooral in de kleur van het rugdek. Deze is bij Spermestes bicolor stigmatophora zwartbruin, bij Spermestes bicolor woltersi donkerbruin, Spermestes bicolor rufodorsalis warm roodbruin + het zwart aan de kop is minder uitgebreid, Spermestes bicolor minor warm roodbruin + kleinste van de ondersoorten. Spermestes bicolor nigirceps is de meest contrastrijke van allemaal.
Verspreiding:
Het bruinrugekstertje heeft zijn verspreidingsgebied in Afrika.
Grootte:
Het bruinrugekstertje is ca. 9,5 cm. groot.
Geslachtsonderscheid:
Tussen het mannetje en het popje is vrijwel geen uiterlijk waarneembaar verschil. Het enige verschil tussen de geslachten is dat het mannetje zingt. Hij doet dit echter vaak zo zacht dat het trillen van de keelveertjes dit moet verraden.
Karakter:
Bruinrugekstertjes kunnen in een gezelschapsvolière met soortgenoten en andere soorten worden gehouden mits de volière voldoende groot is en de vogels over een voldoende groot territorium kunnen beschikken. Is dit niet het geval dan kunnen ze wel eens agressief reageren richting soortgenoten en andere volièrebewoners.
Omgevingstemperatuur:
Eenmaal goed geacclimatiseerd hoeft het houden van bruinrugekstertjes geen problemen op te leveren in ons land. Wel is het noodzakelijk dat een volière waarin deze vogels worden gehouden een goed afgesloten en droog nachtverblijf bezit. Ook verdient het aanbeveling de vogels niet beneden temperaturen van 5 °C te houden.
Voeding:
Als voeding dient een goede zaadmengeling voor tropische vogels en of volièrevogels, een goed samengesteld eivoer/krachtvoer en bij voorkeur kiemzaad verstrekt te worden. Om aan de behoefte van dierlijke eiwitten in de voeding tegemoet te komen kan het beste een insecten-/universeelvoer toegevoegd worden (bijvoorbeeld 50 eivoer, 50% universeelvoer). Vooral in de periode dat de vogels jongen hebben is het belangrijk dat ze de beschikking hebben over dierlijke eiwitten. Extra dierlijke eiwitten kunnen, naast het verstrekken van een goed samengesteld eivoer/universeelvoer, verstrekt worden in de vorm van bijvoorbeeld (geknipte) meelwormen, miereneieren, bladluis, fruitvliegjes, buffalowormpjes. Naast bovenstaande voeding is het noodzakelijk dat de vogels dagelijks de beschikking hebben over vers en fris bad- en drinkwater en mogen ook vogelmineralen (grit) en maagkiezel niet ontbreken. Voor meer informatie over de voeding klik hier.
Kweek:
Goede broedresultaten met bruinrugekstertjes kunnen in broedkooien, vluchtjes van 2x1x2 (hxbxd) en of apart in een goed begroeide volière worden behaald. Als nestgelegenheid accepteren ze halfopen nestkastjes maar ook wordt vaak wel een vrijstaand nest gebouwd in een dichte struik of begroeiing. Als bouwmateriaal gebruikt hij hiervoor kokosvezel, hooi, grashalmen, mos, veertjes, dierenhaar e.d. Als het nest klaar is en door het popje wordt geaccepteerd zullen de eitjes niet lang op zich laten wachten. Gemiddeld legt het popje 4 – 6 eitjes. De eitjes worden in hoofdzaak door het popje bebroed. Na ongeveer 12 dagen komen de jongen uit. Op een leeftijd van ongeveer 16 dagen vliegen ze uit. De jongen worden na het uitvliegen door beide oudervogels nog gedurende een aantal weken (bij)gevoerd. Op een leeftijd van 5 – 6 weken zijn ze volledig zelfstandig.
A. van Kooten